Waar is de levenslust gebleven?

De jonge docente zit tegenover me en maakt een timide, uitgebluste indruk. Ze heeft na maanden twijfel eindelijk de stap gezet om met een loopbaanadviseur te praten. Elke dag gaat ze met tegenzin naar school en als ze huiswaarts fietst heeft ze steevast hoofdpijn. Dat trekt ze niet meer. Haar conclusie: het onderwijs is niets voor mij, het was ooit leuk maar nu niet meer. Ze kan er haar ei niet in kwijt en het geeft geen voldoening meer. Maar wat dan wel? Ze piekert er al maanden over. De maat is vol.

Signalen
In de afgelopen maanden blijkt ze zich steeds meer van haar collega’s en het werk te hebben vervreemd: ze mijdt de gezellige praatjes in de pauzes, staat niet meer vooraan als het gaat om organiseren van activiteiten, houdt zich afzijdig in vergaderingen en doet enkel het hoognodige om haar lessen te kunnen geven. Terwijl ze dit vertelt is ze er verbaasd over dat ze in de loop der tijd zo’n in zichzelf gekeerde persoon is geworden. Deels ligt het aan de omstandigheden in haar privésituatie, maar die verklaren niet alles. Ze vermoedt dat haar collega’s haar niet eens meer opmerken en niet weten waar ze mee worstelt, ze wordt nergens meer bij betrokken.

Op zoek naar de drijfveren
Waar is de levenslust gebleven? vraagt ze zich af. Waar ben ik die kwijt geraakt? We gaan op zoek naar de situaties in haar leven en werk waarin ze die levenslust ervaart of heeft ervaren. Creativiteit blijkt daarin een sleutelwoord te zijn: ze houdt onder andere van schilderen, van kostuumnaaien en van toneel. Bezig zijn met de handen, iets creëren, mooie dingen maken. Ze wil daar absoluut geen beroep van maken: “ik ben er niet in geschoold, de concurrentie is groot en je kunt er geen droog brood in verdienen”.
Creativiteit is voor haar een belangrijke drijfveer in haar leven en werk. Ze krijgt de wondervraag[i] voorgeschoteld: stel dat alles mogelijk is en je vanaf morgen op school je creativiteit volop de ruimte gaat geven, wat doe je dan? In eerste instantie blijft ze hangen in de onmogelijkheden en de belemmeringen: er zit niemand op te wachten; er is geen budget; ik heb er geen tijd voor; ik moet het eerst bespreken met mijn leidinggevende. Ze realiseert zich dat ze hiermee niet verder gaat komen. We blijven op dit thema zitten en de ideeën borrelen op. Ze wordt er gaandeweg alsmaar enthousiaster over, ziet het als het ware al voor zich hoe ze haar lessen en de lokalen onder handen neemt en welke activiteiten ze gaat organiseren.

Het is de docente duidelijk geworden dat ze zich in de afgelopen maanden, zelfs jaren, steeds minder heeft bekommerd om wat haar drijft in haar werk. Ze is een lesboer geworden terwijl ze ooit met andere idealen het onderwijs in was gestapt. Gaandeweg het traject dat de docente en ik hebben, gaat ze haar plannen en wensen meer en meer delen met haar collega’s en leidinggevende. Tot haar verbazing reageert iedereen positief. Ze wordt zichtbaar, dat wordt gewaardeerd en benoemd. Ze ervaart dat haar ‘oude ik’ weer de boventoon gaat voeren en die is energiek en enthousiast.

Weer met plezier naar het werk
Enkele weken na afronding van het korte traject (we hebben slechts 4 gesprekken gehad) mailt ze me dat ze nog steeds verbaasd is over de kentering die de gesprekken teweeg hebben gebracht in hoe ze naar zichzelf keek. Nu ze zichzelf weer helemaal herpakt heeft en de focus duidelijk heeft gekregen op wat haar werkelijk drijft en energie geeft, wil ze die niet meer kwijtraken. Ze is blij met haar baan en fietst dagelijks met plezier van en naar school.

Jolanda Oorschot
Loopbaanadviseur/ coach
j.oorschot@omo.nl
www.promotion-loopbaanontwikkeling.nl
 

[i] Wondervraag:

De wondervraag is afkomstig uit de oplossingsgerichte therapie en heeft als doel het zelfoplossend vermogen van de persoon te stimuleren. De vraag verlegt de focus van het probleem naar de gewenste toekomst. Het antwoord op de vraag geeft ruimte om verder te onderzoeken welke stappen naar de gewenste toekomst leiden en welke belemmeringen moeten worden overwonnen.

Het stellen van de wondervraag is heel eenvoudig:

 'Ik wil je een vreemde vraag stellen. Stel je eens voor dat, terwijl je slaapt en het hele huis in stilte is gehuld, er vannacht een wonder gebeurt. Het wonder is dat het probleem waarvoor je hier bent gekomen, is opgelost. Maar omdat je slaapt, weet je niet dat het wonder heeft plaatsgevonden. Als je morgenochtend wakker wordt, wat zou er dan anders zijn waardoor jij weet dat er een wonder is gebeurd en jouw probleem is opgelost?' (Peter de Jong & Insoo Kim Berg)